Werkwoordspelling · groep 6

Wat komt aan bod in groep 6?

Op deze pagina komen 2 soorten opdrachten voorbij, uit de toetsen van groep 6 (M6 en E6):

  • Tegenwoordige tijd invullen (stam + t)
  • Verleden tijd invullen ('t kofschip)

Voorbeeld met uitleg

Hij … naar school. (fietsen, tegenwoordige tijd)

  1. Zoek de stam: fietsen → fiets.
  2. Bij hij komt er een t achter: hij fietst.

Antwoord: fietst

Waar gaat het vaak mis?

De bekendste fout is de d/t-fout: 'hij word' in plaats van 'hij wordt', of 'het is gebeurt' in plaats van 'het is gebeurd'. Laat uw kind steeds dezelfde stappen volgen: welke tijd is het, wat is de stam, en wie doet het?

Zo helpt u thuis

  • Gebruik vaste stappen: welke tijd, wat is de stam, wie doet het?
  • Twijfelt uw kind tussen d en t? Vervang het werkwoord door lopen. Hij loopt, dus: hij wordt.
  • Laat uw kind zelf zinnen maken met de werkwoorden die fout gingen.

Veelgestelde vragen

Wat is de stam van een werkwoord?

Het hele werkwoord min -en. Werken → werk, fietsen → fiets. Soms verandert er iets: leven → leef, lopen → loop. De stam hoort bij ik: ik werk, ik fiets, ik leef.

Wat is 't kofschip?

Een ezelsbruggetje voor de verleden tijd. Staat de laatste letter van de stam in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijgt de verleden tijd -te of -ten: werken → werkte. Anders -de of -den: spelen → speelde. Let op: bij leven en verhuizen kijk je naar de v en z van het hele werkwoord: leefde, verhuisde.

Zijn dit echte toetsvragen?

Nee. Het zijn eigen oefenvragen op het niveau van groep 6, in de stijl van de toetsen op school (Cito, IEP en Boom). Elke vraag wordt nieuw gemaakt, dus uw kind raakt nooit door de vragen heen.

Verder oefenen

Schoolwegwijzer is niet verbonden aan Cito, Bureau ICE of Boom. De oefenvragen zijn eigen materiaal.

Tip voor ouders en scholen: deel deze gratis oefening in een oudergroep. Deel via WhatsApp