In het kort

  • Nu (tegenwoordige tijd): ik = stam, hij/zij/het = stam + t. Bij 'jij' achter het werkwoord: geen t.
  • Toen (verleden tijd): zit de laatste letter van de stam in 't kofschip? Dan -te(n), anders -de(n).
  • Voltooid deelwoord: ge- + stam + t of d (ook via 't kofschip).
  • Truc: vervang het werkwoord door 'lopen'. Hoor je een t (loopt)? Dan schrijf je een t.

Stap 1: vind de stam

Alles begint bij de stam: het hele werkwoord min -en.

Hele werkwoordStamLet op
werkenwerk
lopenloopdubbele o blijft
levenleefv wordt f
verhuizenverhuisz wordt s
wordenwordde d hoort bij de stam

Stap 2: nu (tegenwoordige tijd)

  • ik → alleen de stam: ik word, ik werk
  • jij/je, u, hij, zij, het, een naam → stam + t: hij wordt, Sam werkt, jij loopt
  • jij/je achter het werkwoord → geen t: Word jij later dokter? Loop je mee?
De 'lopen'-truc

Twijfelt uw kind? Vervang het werkwoord door lopen. "Hij word/wordt boos" → "Hij loopt boos". Je hoort een t, dus: wordt. "Word/wordt jij boos?" → "Loop jij boos?" Geen t, dus: word.

Stap 3: toen (verleden tijd) met 't kofschip

Kijk naar de laatste letter van de stam. Zit die in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Dan krijgt het werkwoord -te of -ten. Zo niet, dan -de of -den.

WerkwoordLaatste letter stamVerleden tijd
werkenk (in 't kofschip)werkte
fietsens (in 't kofschip)fietste
wachtent (in 't kofschip)wachtte (twee t's!)
spelenl (niet)speelde
reddend (niet)redde
verhuizenz (niet, kijk naar het hele werkwoord)verhuisde
Waarom 'wachtte' twee t's heeft

De stam is wacht (met een t), en daar komt -te achter. Wacht + te = wachtte. Hetzelfde bij redden: red + de = redde.

Stap 4: het voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord gebruik je met heb, is of werd. Je maakt het meestal met ge- + stam + t of d, en weer beslist 't kofschip:

  • werken → ik heb gewerkt (k zit in 't kofschip)
  • spelen → ik heb gespeeld (l zit er niet in)
  • verhuizen → wij zijn verhuisd (z zit er niet in; geen ge- omdat het al met ver- begint)

Ezelsbruggetje: denk aan het bijvoeglijk naamwoord. Het gespeelde spel hoor je met een d, dus gespeeld.

Thuis oefenen

  • Eén regel per keer. Een week alleen de tegenwoordige tijd, dan een week de verleden tijd.
  • Hardop redeneren. Vraag niet "is het goed?", maar "hoe weet je dat?". Laat uw kind de stappen noemen.
  • Zinnen uit het dagelijks leven. "Papa ___ (fietsen) naar zijn werk." "Gisteren ___ (koken) oma."

Veelgestelde vragen

Wat is de stam van een werkwoord?

Het hele werkwoord min -en. Werken → werk, fietsen → fiets. Let op: een v wordt f en een z wordt s (leven → leef, verhuizen → verhuis), en dubbele klinkers blijven staan (lopen → loop).

Waarom is het 'verhuisde' en niet 'verhuiste'?

Voor 't kofschip kijk je naar de stam van het hele werkwoord, maar dan vóór de z/s-verandering: verhuizen heeft een z, en de z zit niet in 't kofschip. Dus -de: verhuisde. Hetzelfde bij leven → leefde.

Wanneer leren kinderen werkwoordspelling?

De tegenwoordige tijd komt meestal in groep 5 en 6, de verleden tijd en het voltooid deelwoord in groep 6 en 7. In groep 8 en op de doorstroomtoets komen alle vormen gemengd voor.

Is 'Wordt jij' fout?

Ja. Staat 'jij' of 'je' achter het werkwoord, dan valt de t weg: Word jij? Maar bij 'u' en bij 'hij' blijft de t: Wordt u? Wordt hij?

Werkwoorden oefenen

Steeds nieuwe zinnen met werkwoordspelling, met uitleg bij elk antwoord. Gratis, zonder account.

Oefen taal groep 7