In het kort

  • De doorstroomtoets meet lezen, taalverzorging en rekenen. Er zijn vijf toegestane toetsen; de vorm verschilt, de onderdelen niet.
  • De vragen op deze pagina zijn door ons gemaakt, in dezelfde stijl. Het zijn geen echte toetsvragen.
  • Bij veel vragen zit de valkuil in het lezen van de vraag, niet in de som of het woord.
  • Kort en vaak werkt het best: drie keer per week tien minuten.

Voorbeeldvragen lezen

Bij lezen gaat het om teksten begrijpen: de hoofdgedachte vinden, zien wat de schrijver bedoelt en informatie opzoeken.

Vraag 1

Bijen zijn belangrijk voor ons eten. Als ze van bloem naar bloem vliegen, nemen ze stuifmeel mee. Daardoor kunnen planten vruchten maken. Zonder bijen zouden er veel minder appels en peren zijn.

Wat is de hoofdgedachte van deze tekst?

  • A. Bijen vliegen van bloem naar bloem.
  • B. Zonder bijen groeien er veel minder vruchten.
  • C. Appels en peren zijn gezond.
  • D. In bloemen zit stuifmeel.
Antwoord: B

A en D staan wel in de tekst, maar zijn details. De hoofdgedachte is waar de hele tekst over gaat. Test het zo: past deze zin boven de hele tekst?

Vraag 2

Sanne fietst elke dag naar school. Op maandag waait het hard tegen en doet ze er twintig minuten over. Op dinsdag is de wind gedraaid. Dan is ze in twaalf minuten op school.

Hoeveel minuten is Sanne op dinsdag sneller dan op maandag?

  • A. 8 minuten
  • B. 12 minuten
  • C. 20 minuten
  • D. 32 minuten
Antwoord: A

20 − 12 = 8 minuten. B en C staan wel in de tekst, maar zijn geen antwoord op deze vraag. Lees de vraag dus altijd twee keer.

Voorbeeldvragen taalverzorging

Taalverzorging gaat over spelling, werkwoordspelling, leestekens en zinsbouw.

Vraag 3

Welk woord hoort op de puntjes? Er is gisteren iets geks ... op het schoolplein.

  • A. gebeurt
  • B. gebeurd
  • C. gebeurde
  • D. gebeurdt
Antwoord: B

Na 'is' staat hier een voltooid deelwoord. De r van 'gebeuren' zit niet in 't kofschip, dus eindigt het op een d: gebeurd.

Vraag 4

In welke zin staan de leestekens goed?

  • A. Lisa vroeg: "Kom je ook?"
  • B. Lisa vroeg, "Kom je ook?"
  • C. Lisa vroeg: "Kom je ook."
  • D. Lisa vroeg "kom je ook?"
Antwoord: A

Voor iets wat iemand letterlijk zegt, staat een dubbele punt. De zin tussen de aanhalingstekens begint met een hoofdletter, en een vraag eindigt met een vraagteken.

Voorbeeldvragen rekenen

Bij rekenen komen getallen, verhoudingen, meten en meetkunde en verbanden aan bod. Vaak staat de som in een kort verhaaltje.

Vraag 5

Voor 6 pannenkoeken heb je 150 gram meel nodig. Hoeveel meel heb je nodig voor 15 pannenkoeken?

  • A. 300 gram
  • B. 360 gram
  • C. 375 gram
  • D. 450 gram
Antwoord: C

Reken eerst uit wat er in één pannenkoek gaat: 150 : 6 = 25 gram. Dan 15 × 25 = 375 gram. Een verhoudingstabel helpt hierbij.

Vraag 6

De trein vertrekt om 14.48 uur en komt om 15.21 uur aan. Hoe lang duurt de reis?

  • A. 27 minuten
  • B. 33 minuten
  • C. 43 minuten
  • D. 73 minuten
Antwoord: B

Reken via het hele uur: van 14.48 tot 15.00 is 12 minuten, en van 15.00 tot 15.21 is 21 minuten. Samen 33 minuten. Wie gewoon aftrekt, rekent alsof een uur 100 minuten heeft en komt op 73.

Vraag 7

Een spel kost € 40,-. Je krijgt 15% korting. Hoeveel korting krijg je?

  • A. € 4,-
  • B. € 6,-
  • C. € 15,-
  • D. € 34,-
Antwoord: B

10% van € 40,- is € 4,-. Dan is 5% de helft: € 2,-. Samen € 6,-. Let op: D is wat het spel na de korting kost, en dat was niet de vraag. Meer hierover: de denkfout bij korting.

Wat leert u van deze vragen?

Veel fouten ontstaan niet doordat een kind de stof niet kent, maar doordat het te snel leest. Leer uw kind daarom drie gewoontes aan:

  • Lees de vraag twee keer. Wat wordt er precies gevraagd?
  • Streep eerst weg wat niet kan. Dat maakt de keuze kleiner.
  • Controleer het antwoord. Kan dit kloppen?

Meer weten over de toets zelf? Lees wat de doorstroomtoets is en bekijk de data van 2027.

Veelgestelde vragen

Zijn dit echte vragen van de doorstroomtoets?

Nee. Wij hebben deze vragen zelf gemaakt, in de stijl van de toets. Ze laten zien wat voor soort vragen uw kind kan verwachten.

Zijn de vragen op elke doorstroomtoets hetzelfde?

Nee. In schooljaar 2026-2027 zijn er vijf toegestane toetsen: Leerling in beeld (Cito), IEP, Route 8, de Dia-toets en de DOE-toets. De vorm verschilt, maar ze meten allemaal lezen, taalverzorging en rekenen.

Hoe kan mijn kind het best oefenen?

Kort en vaak: drie keer per week tien minuten werkt beter dan één lange middag. De toets meet wat uw kind in acht jaar heeft geleerd, dus een week stampen heeft weinig zin.

Waar vind ik meer voorbeeldvragen?

Op Schoolwegwijzer oefent uw kind gratis en zonder account met vragen voor lezen, taalverzorging en rekenen, met uitleg bij elk antwoord.

Meer vragen oefenen

Oefen gratis verder met lezen, taalverzorging en rekenen, met uitleg bij elk antwoord. Geen account nodig.

Doorstroomtoets oefenen